Annettes dochter (15) was depressief: “We hadden er eerder over moeten praten”

Amber, de vijftienjarige dochter van Annette, trok zich steeds meer terug, keerde in zichzelf en werd uiteindelijk depressief. Maar in plaats van naar haar kind te kijken, keek Annette de andere kant op. ‘Als ik ergens spijt van heb, dan is het dat ik er met niemand over sprak, ook niet met mijn dochter.’

“Laatst zei mijn dochter Amber dat ze zin had in de zomervakantie. Als je niet beter weet, is het een gewone mededeling van een puber die uitkijkt naar zes weken lang geen school en een beetje rondhangen met vrienden. Maar voor mij was deze zin een bevestiging van de goede weg die we zijn ingeslagen. Ik bleef rustig, maar mijn hart maakte een sprongetje. Want er zijn periodes geweest dat ik nooit had gedacht dat ze zoiets zou zeggen.

Amber was een huilbaby, mijn man en ik liepen om en om met haar op de arm door het huis. Later, als peuter en kleuter, was ze aan de ene kant een vrolijk meisje, maar stelde ze ook vragen die je niet meteen bij een klein kind verwacht. Ze wilde weten waar je bent als je dood bent en hoe je zeker weet dat je niet meer leeft. En wie bepaalt dat jij geboren mag worden of wie de baas is over het leven. Het waren eigenlijk hele essentiële vragen over leven en dood, maar ook vragen die ik niet zo 1, 2, 3 kon beantwoorden. En dat frustreerde haar. Ze had een enorme behoefte om het leven te begrijpen, om te snappen waarom de dingen zijn zoals ze zijn. Soms zei ik dat ik het ook niet allemaal wist en dan moest ze huilen, want dat maakte de wereld voor haar nóg ondoorzichtiger. Ik bedoel, als je moeder het al niet weet…

Terugkijkend denken we dat in deze periode het zaadje voor haar depressie is geplant, al weten we dat niet helemaal zeker. Amber wilde het leven, haar leven, tastbaar maken, begrijpen, maar de wereld om haar heen werd juist groter en onbegrijpelijker. Ze keerde naar binnen, werd stiller en sprak steeds minder af met vriendinnetjes. Ze was vaak alleen, maar vond dat ook niet erg. Het leek wel of ze in haar eentje de wereld net iets beter kon behappen. Natuurlijk maakten we ons zorgen, maar vonden de situatie ook niet alarmerend. Ze was lief voor haar zusje, speelde tennis en zat op dansen, het ging goed op school, in die zin was er niks aan de hand.

Toch stelde school voor om met Amber naar een kinderpsycholoog te gaan, of maatschappelijk werker. In ieder geval iemand met wie ze zou kunnen praten. De juf van groep 6 zag haar tobben, wegglijden, zich afkeren van de groep. Ze zei tegen ons dat ze het gevoel had dat ze geen grip op Amber had en dat ze dacht dat Amber zo erg in haar gedachten aan het ronddraaien was dat ze zelf ook geen uitweg meer kon vinden. ‘Ik kan haar soms echt niet bereiken’, zei haar juf, maar ik wimpelde alles af. Ik vond het niet nodig. Ieder kind is toch weleens in zichzelf gekeerd? Dan hoef je toch niet meteen naar een psycholoog? In plaats van goed naar mijn kind te kijken, keek ik de andere kant op.

Na groep 8 ging Amber naar het vwo. Ik hoopte dat ze daar wat meer uit haar schulp zou kruipen. Thuis was ze somber en soms ook heel erg boos. Om daarna in huilen uit te barsten en te roepen dat ze het leven niks aan vond. Mijn man en ik probeerden op haar in te praten, haar te helpen, maar ze gleed steeds dieper weg in een soort gat waar alles zwart was, zoals ze dat zelf zei. En nog schakelden we geen hulp in. Sterker nog, de meeste mensen wisten niet eens hoe erg Amber eraan toe was. Ik vind het heel erg om te zeggen, maar we schaamden ons ook een beetje. Niet voor onze dochter en haar gevoelens, maar voor het feit dat we haar zelf niet konden helpen. Dus we vergoelijkten haar gedrag, hielden onze hand boven haar hoofd. Praten, zo vonden we, is voor mensen die gek of in de war zijn, maar niet voor onze dochter. En door die starre houding werd het voor Amber ook steeds moeilijker om met ons te praten. Ik benadrukte continu alles wat goed ging, dat ze een goed cijfer had gehaald, dat we een nieuwe broek hadden gekocht, dat ze mocht oppassen bij de buren. Ik duwde haar steeds die positieve optimistische hoek in, maar dat was alles behalve hoe zij zich voelde. En daardoor hield zij ook steeds meer haar mond en zat ze dagenlang op haar kamer.

Amber zat in de tweede klas toen haar mentor contact met ons opnam. Ze vond haar stil, afwezig. Amber kon zich slecht concentreren en het was moeilijk om met haar in contact te komen. En hoewel ze natuurlijk ook gewoon een puber is, vond ze dit toch afwijkend gedrag. Weer werd ons aangeraden om haar met iemand te laten praten. En weer liet ik dat advies voor wat het was. Er was toch niks met mijn dochter aan de hand? En ze kon toch ook met ons praten? En zo struggelden we weer maanden verder. Maanden waarin Amber onbereikbaar werd, stopte met sport en dansen en dagenlang apathisch op bed lag. En ook maanden waarin ik het niet kon opbrengen om met haar het gesprek aan te gaan.

Dat jaar ging ze met hakken over de sloot over. En weer dacht ik: als het zomer is wordt het wel beter, als ze straks in de derde zit gaat het vast goed en de vakantie zal haar goed doen. Maar die vakantie was vreselijk. Haar buien beheersten het hele gezin, we liepen allemaal op eieren om maar te voorkomen dat ze boos zou worden, gefrustreerd zou raken, of urenlang zou gaan huilen. Daar op een idyllische Zuid-Franse camping probeerden we allemaal op onze eigen manier om haar gelukkig te maken, maar dat was enorm lastig.

In die vakantie zat ik op een ochtend in het camping cafeetje. Mijn man was gaan hardlopen langs het strand, Amber lag nog in bed. Samen met mijn jongste dochter dronk ik koffie en aten we een croissantje. Een campingvriendinnetje kwam naar ons toe en vroeg of ze wilde spelen. ‘Laten we maar naar jouw tent gaan’, zei mijn dochter, ‘dan hebben we ook geen last van mijn zus.’ Dat zinnetje kwam snoeihard binnen. Daar in dat café, op dat moment, realiseerde ik me pas hoe niet alleen Amber had geleden onder haar depressie, maar wij ook. Haar buien, haar negatieve manier van aandacht vragen, haar depressieve gevoelens; het had ook impact op ons. Ik zag ineens dat ik haar had willen beschermen, het beter voor haar had willen maken, maar haar juist daardoor verder die afgrond in duwde.

Huilend ben ik naar het strand gegaan om mijn man te zoeken. Hij schrok toen hij mij zo overstuur zag lopen. Uren hebben we daar gezeten en voor het eerst echt gepraat over Amber, over ons, en over hoe het nu verder moest. We kwamen tot de conclusie dat we dit anders moesten aanpakken dan we tot nu toe hadden gedaan. Een paar weken later zaten we met het hele gezin bij een psycholoog, waar we voor het eerst met elkaar echt hebben gepraat. En waar voor het eerst de diagnose depressie werd gesteld. Ik had wel een vermoeden, maar als het zo hardop wordt gezegd is dat toch slikken. Die gesprekken met de psycholoog en met elkaar waren pijnlijk, mooi, kwetsbaar en ontzettend waardevol. Ook is Amber antidepressiva gaan slikken. Ik geloof heilig dat de combinatie van medicatie en gesprekken ervoor heeft gezorgd dat het nu veel beter gaat.

Er is niet alleen meer begrip gekomen, maar we hebben ook meer grip op ons leven gekregen. Amber voelt zich gehoord en serieus genomen, waardoor er bij haar meer rust is ontstaan en ze haar gedachten beter kan vormgeven. We waren eigenlijk allemaal bezig met het voeren van onze eigen strijd en door dat bespreekbaar te maken zijn we die strijd met elkaar aangegaan. Had ik het achteraf anders willen doen? Natuurlijk had ik Amber jaren eerder meer licht en lucht gegund. En natuurlijk had ik eerder aan de bel kunnen trekken bij hulpinstanties, of beter kunnen luisteren naar iemand als haar mentor, die wel zag dat ze niet lekker in haar vel zat. En ik had het vooral bespreekbaar moeten maken. Met mijn man, maar vooral met Amber. Ik heb misschien wel te vaak de kans om gewoon rustig met haar te zitten en te vragen hoe het met haar gaat, hoe het écht met haar gaat, laten liggen.

Nu, bijna een jaar later, kan ik me bijna niet voorstellen hoe donker en zwart die vakantie was. En hoe we er allemaal doorheen zaten. Straks in de zomervakantie gaan we weer naar Zuid-Frankrijk. Naar dezelfde camping. We willen op die plek iets afsluiten en nieuwe herinneringen maken. Ik probeer mezelf geen schuldgevoel aan te praten in de zin van ‘had ik maar eerder…’. Daar heeft niemand wat aan. Ik kijk naar wat er wel is, hoe ver we nu zijn gekomen. Het is ontzettend waardevol dat we met elkaar, en met anderen, hierover hebben leren praten. Dat heeft ons echt gered. We kijken dan ook vooruit, naar de toekomst, ook Amber. ‘Loslaten en verder gaan’, zegt onze psycholoog altijd. En dat is dan ook wat we doen.”

 

Dit artikel is geschreven in opdracht van de Rijksoverheid, maar de inhoud is 100% van ons.

Met de campagne ‘Hey! Het is oké. Maak depressie bespreekbaar’ wil het ministerie van VWS (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) het gesprek over depressie op gang brengen. Depressie komt vaker voor dan je denkt: je bent niet alleen. Praten helpt. Op het platform www.heyhelpt.nl kan je terecht voor meer informatie over depressie en tips om het gesprek hierover aan te gaan: als je zelf depressief bent óf iemand kent die (mogelijk) een depressie heeft.

Lees hier meer over ons advertentiebeleid.

Lees ook
Geschreven door
More from Saskia Smith

35 redenen waarom puberdochters zo ontzettend aandoenlijk zijn

Onze allerliefste puberdochters; soms vinden we ze hysterisch en een tikje overdreven,...
Lees verder